Wetgeving gelijke behandeling
Het burgerlijk recht in Nederland kent specifieke wetgeving als het gaat om gelijke behandeling. De Algemene Wet Gelijke Behandeling (AWGB) uit 1994 is hiervan de belangrijkste. Deze wet verbiedt onderscheid bij met name de arbeid en het aanbieden van goederen en diensten op de volgende gronden: godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid en burgerlijke staat. Daarnaast zijn er aparte wetten die onderscheid verbieden op andere gronden zoals leeftijd en handicap of chronische ziekte. Deze wetten en artikelen kunt u vinden op de website van de Commissie Gelijke Behandeling.
Overigens is onderscheid niet altijd verboden: er zijn wettelijke uitzonderingen en soms kan onderscheid gerechtvaardigd en toegestaan zijn.
De eerste gelijke behandelingswet stamt uit 1980: de Wet gelijke behandeling mannen en vrouwen. Na de AWGB die onderscheid verbiedt op meerdere gronden zijn daarna nog wetten tot stand gekomen die onderscheid verbieden op grond van arbeidsduur (1996), vast of tijdelijk contract (2002), handicap of chronische ziekte (2003) en leeftijd (2004). Daarnaast zijn er nog relevante artikelen in het Burgerlijk Wetboek (BW) en de Ambtenarenwet (AW).
Onderscheid of discriminatie?
In deze wetten wordt over onderscheid gesproken en niet over discriminatie. Reden hiervoor is dat discriminatie, de term die in het strafrecht gebruikt wordt, altijd verboden is. Onderscheid kan toegestaan zijn in twee gevallen: als sprake is van een in de wet vastgelegde uitzondering (bij direct onderscheid) of als sprake is van een ‘objectieve rechtvaardiging’ (bij indirect onderscheid).
Direct onderscheid en indirect onderscheid
Met direct onderscheid wordt bedoeld onderscheid rechtstreeks gebaseerd op een discriminatiegrond. Als het gaat om de discriminatiegronden die opgenomen zijn in de AWGB kan dit alleen zijn toegestaan als sprake is van een wettelijke uitzondering, waarvan de AWGB er een aantal kent. In Artikel 2 AWGB worden deze uitzonderingen genoemd. Direct onderscheid op deze gronden kan dus toegestaan zijn als het gaat om wettelijke uitzonderingen, maar kan niet objectief gerechtvaardigd zijn. Direct onderscheid kan wel objectief gerechtvaardigd zijn als het gaat om gronden als leeftijd en handicap of chronische ziekte, waarvoor aparte wetgeving bestaat.
Objectieve rechtvaardiging
Indirect onderscheid is onderscheid waarbij een ogenschijnlijk neutraal criterium wordt gebruikt, dat echter een bepaalde groep in onevenredige mate treft. Er zijn geen in de wet vastgelegde uitzonderingen als het om indirect onderscheid gaat, maar indirect onderscheid kan altijd ‘objectief gerechtvaardigd’ zijn. Om te bepalen of hiervan sprake is wordt indirect onderscheid aan drie criteria getoetst:
- het doel van het onderscheid moet legitiem zijn, dat wil zeggen voldoende zwaarwegend dan wel beantwoordend aan een werkelijke behoefte. Ook mag geen sprake zijn van een discriminerend oogmerk.
- het middel moet passend en noodzakelijk zijn. Een middel is passend indien het geschikt is om het doel te bereiken en noodzakelijk als het doel niet kan worden bereikt met een middel dat niet leidt tot onderscheid of minder bezwaarlijk is.
- het middel moet in een evenredige verhouding staat tot het doel; het moet proportioneel zijn.
Binnen de kaders van de wet en deze toetsingscriteria kunnen toch behoorlijke verschillen van mening bestaan over wanneer een eis bijvoorbeeld ‘noodzakelijk’ of ‘proportioneel’ is.
Commissie Gelijke Behandeling
De Commissie Gelijke Behandeling (CGB) is door de wetgever ingesteld om toe te zien op de naleving van de gelijke behandelingswetgeving. Iedereen die zich ongelijk behandeld voelt op een grond waarvoor wetgeving in het leven is geroepen, kan een verzoek om een oordeel indienen bij de CGB. Hieraan zijn geen kosten verbonden en er is ook geen advocaat voor nodig. Meer informatie vindt u op de website van de CGB.