Grondwet
Sinds 1983 luidt Artikel 1 van de Nederlandse Grondwet (GW): “Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan”.
Hoewel Artikel 1 de zinsnede “op welke grond dan ook” bevat, worden slechts een beperkt aantal discriminatiegronden met name genoemd. Ook wetgeving die als uitwerking van Artikel 1 GW kan worden beschouwd, zowel in het strafrecht als in het burgerlijk recht, is beperkt wat betreft het aantal discriminatiegronden.
In 2004 adviseerde de Commissie Gelijke Behandeling (CGB), die toeziet op de naleving van de Algemene Wet Gelijke Behandeling (AWGB), de regering om een aantal andere gronden als seksuele gerichtheid, leeftijd en burgerlijke staat ook expliciet in Artikel 1 op te nemen, vanuit het oogpunt van consistentie van wetgeving. Daarnaast meende de CGB dat in de rechtspraktijk meer bescherming zal worden geboden aan personen die gediscrimineerd worden op een in Artikel 1 benoemde grond.
Het toenmalige kabinet nam het advies van de CGB echter niet over. Het belangrijkste argument hiervoor was dat het onwenselijk werd geacht om “zonder dringende juridische of maatschappelijke noodzaak grondrechtenbepalingen uit hoofdstuk 1 van de Grondwet te wijzigen”.
Hoewel Artikel 1 de zinsnede “op welke grond dan ook” bevat, worden slechts een beperkt aantal discriminatiegronden met name genoemd. Ook wetgeving die als uitwerking van Artikel 1 GW kan worden beschouwd, zowel in het strafrecht als in het burgerlijk recht, is beperkt wat betreft het aantal discriminatiegronden.
In 2004 adviseerde de Commissie Gelijke Behandeling (CGB), die toeziet op de naleving van de Algemene Wet Gelijke Behandeling (AWGB), de regering om een aantal andere gronden als seksuele gerichtheid, leeftijd en burgerlijke staat ook expliciet in Artikel 1 op te nemen, vanuit het oogpunt van consistentie van wetgeving. Daarnaast meende de CGB dat in de rechtspraktijk meer bescherming zal worden geboden aan personen die gediscrimineerd worden op een in Artikel 1 benoemde grond.
Het toenmalige kabinet nam het advies van de CGB echter niet over. Het belangrijkste argument hiervoor was dat het onwenselijk werd geacht om “zonder dringende juridische of maatschappelijke noodzaak grondrechtenbepalingen uit hoofdstuk 1 van de Grondwet te wijzigen”.